Werk van Jelko Werk van Lotte Duowerk
Jelko Arts (1991) had in het verleden een cabarettrio en schreef sketches en liedjes, maar tegenwoordig houdt hij het bij proza en poëzie. In 2015 haalde hij de finale van schrijfwedstrijd Write now! met het verhaal Opstijgen. Hij is onderdeel van het agentschap van Literair Productiehuis Wintertuin.
Lees hieronder zijn korte verhalen Opstijgen, De weg naar Berlijn of het gedicht Meneer van Loenen. Of klik door naar zijn nieuwste tekening.

OPSTIJGEN

‘Ik krijg mijn Boeing 757 niet voorbij de zoldertrap,’ zeg ik. Het is zondagochtend, ik sta op straat, bij de voordeur van de buurman, die in zijn ogen wrijft.
‘Sorry?’ zegt hij.
‘Ik woon hiernaast, ik zit verlegen om een beetje hulp, mijn Boeing is te zwaar om in mijn eentje door het trapgat te dragen,’ zeg ik. De buurman krabt aan zijn stoppels.
‘Het is zondagochtend,’ zegt hij. ‘Dat maakt op zich niet uit, maar is het dringend?’
‘Ja, nogal,’ zeg ik. ‘Ik vertrek zo naar een clubdag voor vliegtuigfanaten en ik wil mijn Boeing vanmiddag graag tentoonstellen.’
‘Een Boeing? Je bedoelt het vliegtuig?’ vraagt hij.
‘Ja, een model. Hij staat op zolder en nu moet hij naar mijn auto worden getild. Normaal gesproken zou ik mijn zus bellen, maar zij gaat op zondagochtend altijd naar onze ouders. En de kans dat ze wil komen helpen is trouwens minimaal: ik ben nogal tegen haar uitgevallen na een ongelukje met een Concorde.’
‘Wauw,’ zegt de buurman lachend. Hij trekt heel kort een wenkbrauw op. Hij is een jaar of veertig denk ik, hij heeft een gezin en een BMW. We knikken vaak, als hij ’s avonds thuiskomt en ik toevallig net de gordijnen dicht trek. Ik sta er nu pas bij stil dat we elkaar misschien niet goed genoeg kennen. Ik sta hier nogal plompverloren. De buurman gaapt.
‘Sorry,’ zeg ik daarom. ‘Ik wil je natuurlijk niet lastig vallen, misschien lukt het me wel alleen.’
‘Nee joh,’ zegt hij, ‘Ik ga even met mijn vrouw overleggen.’
Hij verdwijnt de woonkamer in. Ik blijf achter en probeer vooral niet teveel naar binnen te kijken. Gestoord worden op je rustige zondagochtend is al genoeg inbreuk op je privacy, dus kijk ik gewoon maar even naar de lucht. Als de buurman terugkomt heeft hij een colbertje over zijn pyjamashirt aangetrokken. Hij zegt: ‘Ze willen straks nog wel naar oma, maar ik kan best even komen helpen.’

Nu staat de buurman in de deuropening en kijkt hij de zolder rond. Ik weet niet hoe ik moet staan, dus doe ik alsof ik mijn werktafel opruim. Vanuit mijn ogenhoeken volg ik zijn blik. Hij kijkt naar de posters, naar de modellen op de vensterbank, maar vooral naar de tafel bij het raam. Daar heb ik scènes opgesteld uit het begin van de luchtvaart: de Wright Flyer I in de duinen van Kitty Hawk, met daarnaast twee mannetjes op H0-schaal. Ik heb ze zelf geschilderd, het zijn de gebroeders Wright. Verderop staan zes omstanders, al is dat historisch gezien niet helemaal correct. Ik heb motorbouwer Charlie Taylor toegevoegd, met een steeksleuteltje van ijzerdraad, al stond hij op 17 december 1903 niet in de duinen, maar in de garage van de Wright-broers in Dayton. Daar had Taylor de motor van het vliegtuig ontworpen, revolutionair klein, maar nu het ding daadwerkelijk naar buiten moest durfde hij  niet mee. In mijn versie wel. Het valt de buurman gelukkig niet op, hij tuurt naar de twee broers Wright. Iedereen, ongeacht leeftijd, kijkt altijd eerst naar de mensjes. Zelfs bij een miniatuurlandschap geldt: we moeten eerst onszelf zien om in te schatten hoe groot de wereld eigenlijk is.

‘Is dat de Concorde?’ vraagt de buurman, hij wijst naar het achterste model op plank vier. Ik knik en houd mijn adem in, de buurman gaat op zijn tenen staan om de straaljager beter te kunnen bekijken.
‘Prachtig, dat je zoiets kunt,’ zegt de buurman. Hij wijst naar mijn werktafel: ‘Kan ik dat krukje pakken, om even op te staan?’
‘Liever niet,’ zeg ik. ‘Ik moet eigenlijk al in de auto zitten.’
‘O ja,’ zegt de buurman. ‘De Boeing.’
De 757 staat al klaar: naast de zwarte voet liggen nog twee schroevendraaiers en aan het landingsgestel kleeft een restje lijm, maar afgezien daarvan is het gevaarte fantastisch gelukt. De verhoudingen kloppen precies, de neusronding is geweldig vloeiend en de spotjes boven het bureau glanzen in het cockpitraampje. Ik veeg nog wat vuiltjes van het tafelblad en draai het gevaarte een paar centimeter, zodat het licht er net wat beter op valt. Het is bijna zonde om er niet de hele zondag naar te kijken, er zijn ongetwijfeld hoeken van waaruit ik het vliegtuig nog niet heb bestudeerd.
‘Zullen we dan?’ vraagt de buurman. ‘Zeg maar wat ik moet doen.’
We moeten de Boeing een kwartslag draaien om hem door de deuropening te krijgen. De spanwijdte is 2 meter 14.
‘Je houdt hem verkeerd vast,’ zeg ik. ‘Bij de romp is beter.’
De buurman probeert zijn greep te veranderen. Eerst hield hij de kop van de enorme Boeing tegen zijn buik geklemd, maar nu probeert hij zijn bovenlichaam heel voorzichtig om de neus heen te draaien. Hij doet het teder, maar ik twijfel of de lak op de cockpit hier tegen bestand is. Ik kan hem geen tweede keer corrigeren.
‘Wat een machtig mooi ding,’ zegt hij. ‘Heb je zelf wel eens gevlogen?’
Het is een goedbedoelde vraag waarschijnlijk, maar er komt geen fatsoenlijk antwoord in me op. Dat je modelvliegtuigen bouwt betekent niet dat je per se dol bent op vliegen. Juist niet, ik moet er niet aan denken om volledig te vertrouwen op een piloot. Een WL18 misschien, dat is het kleinste privévliegtuig van Europa, dan kun je eerst rustig kennismaken met de bemanning.
‘Nee,’ zeg ik. Ik had Harry moeten vragen. Hij woont dan wel ver weg, maar hij bouwt tenminste ook vliegtuigen, in H2-schaal weliswaar, maar dat is vergelijkbaar. Aan hem had ik niets hoeven uitleggen en hij had nergens van opgekeken. Maar ja, de buurman en ik staan nu al op de overloop. We zijn zonder problemen door de deuropening gemanoeuvreerd, de zolderdeur kan nu in ieder geval weer dicht. De buurman is behulpzaam.
‘Het wordt wel lastig om hem scheef te houden,’ zegt hij, hij houdt zijn arm krampachtig in een onnatuurlijke hoek. ‘Ik kan mijn oudste zoon vragen, die is veertien, dan kunnen we het model aan elke vleugel én aan de staart ondersteunen.’
‘Het lukt wel,’ zeg ik, ‘de clubdag is al bezig.’
Op de helft van de zoldertrap stopt de buurman abrupt en hij gebaart met zijn hoofd. Ik stootte de staartvin bijna tegen het schuine plafond.
‘Net op tijd,’ lacht hij. ‘Bijna een crash.’
Ik bevries. De afgelopen acht treden keek ik niet naar de kwetsbare staartvin, maar naar de voeten van de buurman. Hij heeft sloffen aan. Dat zag ik niet toen ik aanbelde. Ik had mezelf ervan overtuigd dat het een goed idee was, ik was blij dat ik durfde aan te bellen. Maar nu: slóffen. Wat staan we hier dan te doen? Het bewijst maar weer: dapper zijn is weigeren lang na te denken. Ik wil dit niet. Ik wil niets uitleggen, ik wil geen buurman op mijn zolder en al helemaal geen puberende buurjongen aan mijn vleugels. De buurman schuifelt al verder en ik moet wel met hem mee: we manoeuvreren het vliegtuig de smalle zoldertrap af, maken een draai op de overloop en met verrassend weinig moeite nemen we de laatste treden. De voordeur is bereikt.

We staan buiten. De Boeing glimt hier nog mooier dan op zolder. Ik kijk de buurman even aan en we lachen, zonder iets te zeggen. Ik druk de enorme staart tegen me aan, zodat ik met mijn vrije hand de autosleutels kan pakken. Met moeite open ik de achterbak: ik heb gisteravond al een kleed neergelegd, vier kussens en wat uitgesneden stukken piepschuim ter ondersteuning. We draaien de Boeing, om hem in vliegstand in de auto te leggen.
‘Ik weet niet of dat wel gaat,’ zegt de buurman. Horizontaal passen de vleugels er inderdaad niet in. Ik wil vooral niet teveel kracht op de romp zetten.
‘Misschien moet hij schuin liggen?’ zeg ik. Ik til mijn vleugel op, om te zien of ik voorbij de rubberen rand van de achterbak kan komen. Het lukt niet. We proberen vier verschillende posities, de buurman probeert via de passagiersstoel nog aan de cockpit te trekken, maar ik heb allang voorzien dat dat niet gaat werken. We doen ons best, proberen nog acht, negen minuten, maar dan zegt de buurman wat ik niet durf toe te geven.
‘Het past echt niet.’
De Boeing hangt half uit mijn Clio. De buurman en ik staan ernaast: ik met mijn hand onder de staart, hij leunt tegen het openstaande portier. Er fietst een jongen door de straat, hij kijkt eerst naar het vliegtuig en dan naar ons: hoe we staan uit te puffen. De buurman denkt na.
‘We kunnen,’ begint hij. ‘We kunnen met mijn auto gaan.’

Ik stel me voor hoe we in de auto zitten.

We rijden langs uitgestorven woonwijken en over lege snelwegen. De buurman remt niet voor drempels en rijdt 90 op afritten. Ik kan niet meer uitstappen. Als we aankomen zal de buurman mee naar binnen willen. Hij gaat de modellen bekijken, hij zal zich netjes voorstellen aan forumleden en stelt oprechte vragen over de Airbus van Harry. Hij vraagt voorzichtig of hij krukjes mag pakken, of hij in boekjes mag bladeren, of hij onderkanten van straaljagers mag zien en als we terugrijden zal hij zeggen dat hij het geweldig vond en dat hij dit niet achter me had gezocht. Hij gaat volgende week aanbellen om te vragen of hij de zolder nog eens mag zien. Hij wil misschien vaker helpen met een vliegtuig en schroevendraaiers opruimen en hij zal enthousiast worden en ik kan hem dingen uitleggen en om hulp vragen.

De buurman slaat het portier dicht.
‘Wil je dat? Dan haal ik mijn sleutels even.’
Ik weet het niet. Het waait.
‘Misschien niet,’ zeg ik.
‘Zeg het maar,’ zegt hij, ‘Het is geen moeite.’
Ik kijk naar de lucht.
‘Nee, misschien niet.’
‘Jammer,’ zegt hij. ‘Dan ga ik zo naar mijn schoonouders.’
We tillen de Boeing uit de auto. We staan met het vliegtuig tussen ons in als de voordeur van de buurman plotseling open gaat. Een jongen steekt zijn hoofd naar buiten, hij kijkt eerst de straat in en dan ziet hij ons.
‘Pap!’ roept hij. ‘Gaan we zo?’
‘Ja schat,’ roept de buurman terug.
‘Wow, wat is dat, papa?’ antwoordt de buurjongen. Ik zie dat hij met grote ogen naar het vliegtuig kijkt. Hij kijkt naar de vleugels, naar de cockpit, hij wil de gang uit springen en op ons af komen rennen.
‘Binnen blijven, Joris!’ roept de buurman.
‘Maar ik wil kijken,’ zegt de buurjongen.
‘Is geen speelgoed!’ roept de buurman boos, ‘Binnen blijven, ik kom zo!’
Joris twijfelt even, zie ik, maar dan verdwijnt hij mokkend de gang in. Als ik de voordeur hoor dichtslaan haal ik weer adem. De buurman herpakt de romp, hij kijkt me aan en glimlacht. Ik glimlach dankbaar terug. Zwijgend en zonder problemen tillen we de Boeing terug naar zolder.

.

– Met het kortverhaal Opstijgen won Jelko in 2015 de voorronde van schrijfwedstrijd Write Now!.

 


 

 

De weg naar Berlijn

Het was warm in de auto. Ze reden al een hele tijd. Het eerste uur hadden ze nog een gesprek op gang kunnen houden, maar ze waren nu al een poos stil. Ben was vanochtend rond half acht opgepikt. Hij had al een kwartier staan wachten bij het keukenraam toen de grijze stationwagen de straat in kwam rijden.
Ben was gevraagd om zijn werk te komen exposeren in Berlijn, op de grootste hobbybeurs in Europa. Hij had nooit verwacht dat hij goed genoeg was, hij voelde zich ontzettend vereerd. De lange afstand was vrij snel opgelost: Ben had een berichtje geplaatst op de website van de vereniging en er had zich iemand gemeld: meneer Blok. Dat was althans zijn gebruikersnaam op het legoforum. Toen Ben vanochtend was ingestapt had Blok ook zijn echte naam gezegd, maar die was Ben vergeten en nu zaten ze al bijna twee uur naast elkaar.
‘Vind ik altijd een mooi nummer,’ zei Ben soms, maar meer tegen de radio dan tegen Blok.
‘Jazekers,’ zei Blok dan.
‘Fijn dat ik mee kan rijden.’
‘Geen punt.’

Bij het vorige tankstation had Blok gevraagd of Ben iets wilde, en Ben zei nee. Blok was uitgestapt en had gecontroleerd of de op het dak gestapelde dozen nog goed vastgesnoerd waren. Pas toen hij moeizaam naar de toiletten liep was Ben uitgestapt voor een sigaret. Op een strook gras naast de snelweg kwam hij tot rust. Hij keek naar de auto. Meneer Blok had misschien wel twaalf plastic boxen op het dak gestapeld, onder een strakgespannen felgroen net. Achter alle raampjes waren bakken met bouwsteentjes te zien, de auto stond erbij als een heel verdrietige rollade.
‘Is dat veilig zo?’ vroeg Ben toen ze weer de snelweg opreden.
‘Ja hoor, kerel,’ zei Blok. ‘Dit is niet de eerste keer dat ik naar Berlijn rijd. De vorige keer had ik ook nog mijn slaapspullen bij me. Fijn hè, dat we nu in een hotel slapen.’
Ben vroeg zich af hoe de kamerindeling gemaakt zou worden. Ben en Blok waren nu bijna halverwege. Ben had het gevoel dat hij in een volle bus naast een oude meneer was gaan zitten.
‘Mooi is het hier,’ zei hij maar.

.

– Geschreven als artist-in-residence in de torenkamer van radiopogramma Opium op 4. De in die week geschreven teksten zijn terug te lezen op de website van Opium.

 


 

 

Meneer van Loenen

Meneer van Loenen ligt in bed en denkt:
het is een mooie dag.
Hij zou niet weten hoe dat komt.
Er valt niet eens een streep met zonlicht op de vloer:
tussen gordijnen en kozijnen schijnt de zon niet,
want het regent, maar nou en?

Dus staat hij op, en denkt:
het is een mooie dag.
Kan niet verzinnen hoe dat kan,
maar er staan bomen in zijn straat. Niet eens in bloei,
ze zijn juist druilerig vandaag. Dus krabt hij aan zijn hoofd en denkt:
wat goed.

Dan zet hij thee
en eet beschuit
Hij denkt in godsnaam waarom zou ik ooit mijn keuken uit,
als er hier binnen tosti-ijzers zijn en appels en een schort
en in de koelkast ligt chorizo en vast ook nog wel een oude doos Merci.

Er is gedweild (dat is wel gek).
De koffiefilters liggen trouwens niet meer op hun plek.
Waar is de zeep? Waar ligt het brood?
Meneer van Loenen kijkt de keuken rond en
waarom zijn zijn vingers toch zo groot?

Er lag nog koffie in de oven toch en hoe diep is een trui van chocola?
Waar is de meterkast, zodat ik weet hoe lang ik hier al sta

en hij geeft op.
Hij loopt naar bed.

Meneer van Loenen kijkt omhoog en denkt: het is een mooie dag,
daar is iets mee. Ik zou niet weten wat ik nu zou moeten doen.
want er staan bomen in mijn straat. Niet eens in bloei,
ze waren druilerig vandaag.

Ik zal eens kijken of ze er morgen nog staan